Okt 5 12

Het is duidelijk herfst en dan ben je blij met elke dag waarop de zon zo af en toe schijnt, het niet al te hard waait en het vooral, een groot deel van de dag, droog is.
Afgelopen dinsdag was zo’n dag. Een relatief mooie dag dus, maar geen dag waarop we tijdens de excursie van alles zagen vliegen, kruipen of lekker in het zonnetje zagen zitten.
En ook na de koffie, toen ik nog een paar uurtjes solo door de tuinen zwierf, viel er (weer) bar weinig te beleven.
Maar dat hoort bij dit jaargetijde, het is dus geen verrassing en daardoor is er geen sprake van teleurstelling.
Zolang het weer nog een beetje meewerkt stap ik nog regelmatig (wekelijks) op de fiets voor een bezoekje aan de tuinen van De Wiershoeck en de Schoolwerktuin.
Maar zeer waarschijnlijk ga ik straks toch een paar maanden in “winterslaap” en verschijnt er een tijdlang geen fotoverslag.
Ja, het kan zijn (is waarschijnlijk) dat ik de “abonnees” die ook de verslagen van andere foto-excursies ontvangen niet helemaal met rust laat.
Ik heb nog een aantal fotoseries staan die ik t.z.t. voor een (niet actueel) verslag wil / kan gebruiken.


fuchsia


Fuchsia of bellenplant is een geslacht van honderd tot honderdtien soorten uit de teunisbloemfamilie. De meeste soorten zijn struiken en worden 20-40 cm groot. De Nieuw-Zeelandse soort Fuchsia excorticata (Maori: 'kotukutuku') vormt een uitzondering. Dit is een boom die 12-15 m hoog kan worden. De bloemen hebben een zeer decoratieve klokvorm. Veel soorten bloeien langdurig gedurende zomer en herfst. De bloemen bestaan uit vier lange, slanke kroonbladeren en vier kortere en bredere kelkbladeren. Bij veel soorten zijn de kroonbladeren helderrood en de kelkbladeren paars. De vrucht is een 0,5-2,5 cm grote, donkerrode, eetbare bes die veel kleine zaden bevat.


aurelia


Tijdens de excursie zagen we nog een vlinder vliegen. Ik heb hem niet goed gezien, maar men dacht dat het een kleine vos was. In de loop van de middag zag ik op het blad van de rimpelroos deze gehakkelde aurelia.

De gehakkelde aurelia overwintert als volwassen dier verstopt in boomholtes of tussen afgevallen blad.
De vlinder dankt de Nederlandstalige naam aan de grof gekartelde (gehakkelde) vleugelrand. Ook de Franse naam Robert-le-Diable (Robert de duivel) verwijst naar de grillige vleugelranden.
Het tweede deel van de Nederlandse naam aurelia is afgeleid van het Italiaanse aurelio (goudkleurig). Het werd ook zonder gehakkelde als oude naam voor de soort gebruikt.
In Nederland was de soort aan het begin van de twintigste eeuw een vrij algemene vlinder.
Daarna nam de verspreiding af, zodat in 1925 de soort zeldzaam was en in het noorden in het geheel niet meer werd waargenomen.
In de dertig jaar daarna nam de soort weer toe, om vervolgens in de jaren zestig weer te zijn afgenomen tot een zeldzame soort, die alleen in Limburg en Noord-Brabant werd waargenomen.
In de eerste helft van de jaren zeventig volgde weer een korte opleving. Sinds de jaren tachtig breidt het verspreidingsgebied van de gehakkelde aurelia zich snel noordelijk uit.
Inmiddels is Nederland vrijwel geheel gekoloniseerd en is de gehakkelde aurelia een algemene standvlinder.


steekmug


De Grote Steekmug wordt in het Nederlands ook wel de Ringelmug genoemd, vanwege de fraai geringelde pootjes.
Hij is verwant aan en lijkt ook sterk op de beruchte malariamug die bij ons (nog) niet voorkomt.
Omdat mannetjes niet steken, is het goed om het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes te kennen.
En dat is bij steekmuggen veel gemakkelijker dan je misschien zou denken.
Mannetjes hebben allemaal pluimachtige antennes, terwijl vrouwtjes heel normale draadachtige antennes hebben zonder al die frutsels eraan.
Van de steekmuggen is de grote steekmug het lastigst omdat het vrouwtje heel vaak mensen steekt.
En hoewel de mannetjes niet steken zijn ook zij vaak lastig omdat ze 's nachts vaak wel zoemend door de slaapkamer vliegen.


hooiwagen


Het lijkt wel of deze hooiwagen geen acht maar tien poten heeft. Heel opvallend bij de mannetjes zijn de enorme cheliceren (gifkaken).
De cheliceren worden bij spinnen gebruikt om verterende sappen en gif in hun prooi te spuiten. Tevens worden ze gebruikt om te kauwen.
Hooiwagens echter maken geen gif aan, de cheliceren worden door de mannetjes gebruikt bij het strijden om de vrouwtjes.
Hooiwagens zijn geen spinnen, maar de voorlopers ervan, de spinachtigen.

Spinnen (en hooiwagens) hebben geen antennes zoals deze voorkomen bij de insecten. Ze hebben wel tastsprieten maar deze zijn ontstaan uit monddelen en worden de pedipalpen genoemd.
Deze gelede en sterk beweeglijke aanhangsels hebben een soortgelijke tastzintuiglijke functie, vergelijkbaar met de antennen van insecten.
Daarnaast vervullen de pedipalpen bij veel mannetjesspinnen een gespecialiseerde rol als geslachtsorgaan.


strekpoot


De strekpoot is een hooiwagen. De soort werd pas ontdekt in 1909 in Marokko. Vanuit daar verspreidde deze hooiwagen zich al snel.
De soort bereikte Nederland in 1992 en werd in 1992-93 gezien in Weesp, Amsterdam, Hilversum en Utrecht. Intussen komt deze hooiwagen in het hele land voor.
De mannetjes worden tot 4 mm, de vrouwtjes tot 6 mm groot (poten niet inbegrepen). De poten zijn zeer lang (tot 5 cm) en smal.
De naam strekpoot komt van het gestrekt houden van de poten in rusthouding, de wetenschappelijke naam (Dicranopalpus ramosus) slaat op de tweetakkige tasters.
Bij de vrouwtjes zijn deze tasters (cheliceren) wat dikker en behaarder dan bij de mannetjes.

Cheliceren (gifkaken) en pedipalpen (tastsprieten) zijn niet hetzelfde, maar de informatie daarover is niet altijd even duidelijk.
Ter vergelijking:
Spinnen(en hooiwagens) hebben geen antennes zoals deze voorkomen bij de insecten. Ze hebben wel tastsprieten maar deze zijn ontstaan uit monddelen en worden de pedipalpen genoemd.
De naam strekpoot komt van het gestrekt houden van de poten in rusthouding, de wetenschappelijke naam (Dicranopalpus ramosus) slaat op de tweetakkige tasters.
Deze tweetakkige tasters zijn dus geen antennes / tastsprieten maar het zijn “gifkaken”. Hooiwagens (dus ook strekpoten) maken echter geen gif aan.
De mannetjes hooiwagens gebruiken de cheliceren bij het strijden om de vrouwtjes. Over de functie van de cheliceren bij de vrouwtjes heb ik helaas niets kunnen vinden.

kaneelwants

Even buiten het labyrint op de Schoolwerktuin zag ik nog weer een volwassen kaneelwants. Dat is niet zo vreemd, ze zijn te zien vanaf begin september tot in het najaar.
Maar ook deze wants zal binnenkort wel een plekje zoeken in de strooisellaag tussen afgevallen bladeren om te overwinteren.


spitskopmot- Ypsolopha ustella


De familie spitskopmotten is onderverdeeld in twee subfamilies (Ochsenheimeriinae en Ypsolophinae) met respectievelijk 3 en 15 soorten.
De variabele spitskopmot behoort tot de familie Ypsolophinae. De spanwijdte van de vlinder bedraagt tussen de 15 en 20 millimeter.
Er zijn veel verschillende kleuringen van de vleugels, waardoor deze soort makkelijk kan worden verward met andere soorten uit dezelfde subfamilie.
De variabele spitskopmot is in Nederland een vrij algemene soort, die verspreid over het hele gebied kan worden gezien.
De vlinder kan vrijwel het hele jaar door worden waargenomen. De soort overwintert als imago. De variabele spitskopmot heeft eik als waardplant.

bloem

Nog steeds bloeien er bloemen en zo te zien zijn sommige planten duidelijk van plan om daar nog een tijdje mee door te gaan.
Waarschijnlijk gaan deze bloemen nog wel open, maar ik vraag me af of ze lang mooi zullen blijven.


vlieg


Dit is waarschijnlijk een slanke driehoekzweefvlieg (of een gewone driehoekzweefvlieg).
De slanke driehoekzweefvlieg maakt vaak een wat donkerder indruk dan zijn gelijkende neefje de gewone driehoekzweefvlieg. Bij de slanke driehoekzweefvlieg heeft het haltertje dikwijls een bijna lichtgevende groenige kleur.
Zoals de naam al aangeeft is hij slanker dan z’n neefje en heeft hij een duidelijk iets ingesnoerd achterlijf. Met een lengte tot 9 mm vaak net iets langer dan z’n neefje, dat niet verder komt dan een 8 mm.


huisvlieg


De monddelen van o.a. de huisvlieg zijn gespecialiseerd in zuigen. In tegenstelling tot de meeste insecten kunnen vliegen geen voedsel verkleinen met kaken zoals veel kevers dat doen.
Ze hebben een slurfachtige zuigsnuit (proboscis) die eindigt in een stempelachtig orgaan dat alleen vloeibaar voedsel naar de maag kan brengen.
De vlieg brengt speeksel aan op het voedsel waarna de voedseldeeltjes worden vermengd en het alsnog kan worden opgezogen.
Voordat het voedsel in het spijsverteringsstelsel terecht komt, wordt het eerst een aantal keer gemengd met speeksel.
Dit is te zien doordat de vlieg regelmatig een druppel uit de monddelen laat vloeien, en deze vervolgens weer opzuigt.
Biologen vergelijken deze vorm van voorverteren wel met herkauwen.

Groetjes,

Luit


« terug