Okt 4 12

Een tijdlang waren de weersverwachtingen voor afgelopen dinsdag heel positief, maar ze werden aangepast en de werkelijkheid was in overeenstemming met de latere minder “zonnige” vooruitzichten. Het regende niet, maar het was koud en lange tijd grijs. Tijdens de excursie zagen we niet veel bijzonders en ook later, toen ik alleen op de tuinen rondstruinde, was er niet veel te zien. Het was echt zoeken naar onderwerpen. Het moet al raar lopen wil je echt helemaal niets tegenkomen, maar je hoopt natuurlijk altijd op iets bijzonders. Nee, dat was er dit keer niet. Volgens mij ben ik ook nog niet eerder zo vroeg (tegen vier uur) weer naar huis gegaan. In dit fotoverslag zie je weer een paar reeds eerder getoonde onderwerpen de revue passeren. En ik begin maar met een onduidelijke foto. De gefotografeerde onderwerpen zijn heel wel erg klein. Ongetwijfeld moeten ze duidelijker gefotografeerd kunnen worden, maar het lukt mij tot nu toe niet.

bladluis en witte vlieg

Ik zocht nog even weer naar de cocons van de sluipwesp op de (rode) boerenkool. Ze waren verdwenen. Wel zag ik kleine witte vlekjes (ca. 1-2 mm) en enkele van deze vlekjes vielen van het blad. Of vlogen ze weg?

Er zaten erg veel van deze “vlekjes” op de onderkant van de bladeren en toen ik ze goed bekeek, zag ik dat ze op hele kleine vlindertjes lijken. Het bleken witte vliegen, ook wel motluizen, te zijn.

Het is een familie van wantsachtige insecten. Het zijn kleine Hemiptera(*) die zich voeden op de onderkant van bladeren van planten. Ze beschadigen planten door de floëem (“bast”) aan te boren.

De plant verliest turgor (de druk van de celinhoud op de celwand) en reageert op het toxische speeksel van de witte vlieg. Omdat witte vliegen in grote groepen samenleven kunnen ze een plant totaal te gronde richten.

Het kan zo erg zijn dat wanneer iemand een blad aanraakt, een zwerm witte vliegen opvliegt voordat ze zich weer aan de onderkant van het blad vestigen.

Ook scheiden ze honingdauw uit wat de groei van schimmels bevordert en door zijn kleverigheid bijvoorbeeld een katoenplant volledig kan beschadigen.

Ze hebben een opmerkelijk aangepaste vorm van metamorfose. De onvolwassen stadia beginnen het leven als beweeglijke individuen maar hechten zich spoedig aan de plant.

Het stadium voor het volwassen worden wordt een 'pop' genoemd, hoewel het niet hetzelfde is als de echte verpopping die bij “holometabole” insecten optreedt.
(*) Halfvleugeligen of snavelinsecten (Hemiptera) vormen een orde van insecten waarvan de soorten over de gehele wereld voorkomen. Tot de snavelinsecten behoren alle wantsen, bladluizen en cicaden.
Er zijn ongeveer 80.000 soorten die in grootte verschillen van enkele millimeters tot ongeveer 15 cm.
Op één van de boerenkoolplanten graasden hele kuddes “gewone” bladluizen (links) op de onderkant van de bladeren.

De (bevruchte) hommelkoningin ontwaakt vroeg in het voorjaar. Eerst eet ze alleen suikerrijke nectar, later wordt dat aangevuld met eiwitrijk stuifmeel, waardoor de eitjes zich kunnen ontwikkelen.

Na een paar weken zoekt de koningin een geschikte plek om een (eenjarige) staat te stichten. Zodra ze een geschikte plek heeft gevonden, gaat ze veel stuifmeel verzamelen.

Voor het verzamelde stuifmeel maakt ze een potje van was, daar bovenop legt ze de eerste 8 tot 14 eitjes. Een tweede potje van was vult ze met nectar, dit is haar “noodvoorraad” voor ’s nachts en bij slecht weer.

Na ongeveer vier dagen komen de larfjes uit het ei, ongeveer tien dagen daarna gaan ze zich verpoppen. Twee weken later komen de nieuwe hommels (werksters) uit de poppen.

Dit zijn de helpsters van de koningin, ze leggen geen eitjes.
De koningin gaat door met het leggen van eitjes, ze komt niet meer buiten. Eerst worden er alleen maar werksters geboren, later in het jaar ook mannetjes (darren) en koninginnen.

Akkerhommel

Een kolonie van de Akkerhommel telt ongeveer 60 tot 200 werksters.

Het nest zit meestal onder de grond in oude muizennesten, maar de soort nestelt ook bovengronds onder mos, in graspollen, composthopen, in vogelnesten en soms in nestkastjes.

De nestzoekende koninginnen zijn te zien van begin maart tot midden mei, de werksters van begin mei tot half oktober en de jonge koninginnen en mannetjes van half augustus tot eind oktober.

Gewone aardhommel

Het nest van de gewone aardhommel wordt bijna altijd ondergronds gebouwd, soms in spouwmuren. De kolonie kan tot 600 dieren bevatten.

Egel

De vachtkleur van de egel varieert van geel- en grijsbruin tot donkerbruin. De kop, buik, poten, borst en keel zijn begroeid met een dunne vacht van lang, stug haar.

De rug en flanken van de egel zijn bedekt met ongeveer 8100 tot 8700 bruingrijze stekels van 15 tot 25 mm lang.

De stekels worden ook wel pennen genoemd. Een pen is hol en bestaat uit verscheidene lagen keratine (een eiwit).

Hij wisselt zijn stekels zelden en onregelmatig. Gemiddeld gaan stekels zo'n 18 maanden mee, drie keer zo lang als een gemiddelde haar.
Als egels aangevallen worden door een ander dier, maken ze een bal van zichzelf. Met behulp van een aantal stevige spieren rollen ze zichzelf op en richten ze hun stekels dreigend naar buiten.
Meestal is deze oprol-truc voldoende om zich te beschermen tegen aanvallers.

Gewone hooiwagen

In tegenstelling tot “gewone” spinnen hebben hooiwagens een geleed achterlijf dat in de breedte aansluit op het kopborststuk.

De hooiwagen is voornamelijk herkenbaar aan de dunne lange poten die in vergelijking met het borststuk erg groot zijn.

Een hooiwagen heeft 2 ogen terwijl de meeste spinnen er 6 of meer hebben, hij is gemiddeld 9 mm groot (excl. poten).

De hooiwagen is meestal in het najaar al volwassen. Hij kan geen webben weven omdat hij geen spintepels heeft.
De naam hooiwagen dankt deze spinnensoort aan het feit dat hun lichamen op enorme hoge poten staan.
Dit deed denken aan hooiwagens, waarmee de boeren vroeger oogsten binnenhaalden.

Kaneelwants-nimf

Dit keer kwam ik in het labyrint slechts één wants tegen. Het was weer een nimf van de kaneelwants. Bij dit exemplaar is de beharing (redelijk) goed te zien.

Smeerwortel

De Gewone smeerwortel (Symphytum officinale) komt in Nederland algemeen voor in ruigtes, bermen, op dijken en bij slootkanten.

De plant wordt 40-100 cm hoog met van mei tot augustus witte, roze of paarse, dicht opeen in een hangende tros gegroepeerde bloemen.

De bloemen zijn klokvormig, 2-4 cm groot. Zowel de stengel als de lancetvormige bladeren zijn ruwbehaard.

De soortaanduiding officinale (uit de apotheek) duidt aan dat de plant vanouds medische toepassingen heeft gekend. Vooral de wortel werd verzameld.

De plant werd en wordt met name uitwendig toegepast, in de vorm van omslagen bij botbreuken, wonden, en gewrichtsontstekingen.

Onderzoek heeft uitgewezen dat allantoïne de heling van wonden inderdaad kan bevorderen door de stimulering van de vorming van nieuwe cellen.

Toorts - Verbascum thapsus

De toorts is een tweejarige winterharde plant. In het eerste jaar vormt ze slechts een bladrozet met grote gesteelde, grijsgroene, wollig behaarde bladeren.

In het tweede jaar ontstaat er een ca. 2 meter hoge stengel met wollige, naar boven kleiner wordende bladeren. Langs de toorts vormen zich 3-5 centimeter grote bloemen.

De plant bloeit vanaf eind mei tot begin september. Er bestaan ongeveer 300 soorten waarvan de meeste in Oost-Europa en het Nabije Oosten inheems zijn.

Vijf van de 6 soorten die in onze streken in het wild groeien, bloeien geel. Ze zijn te vinden op onbebouwde plaatsen, op steile hellingen langs opritten, langs akkers en spoorlijnen.

Toortsen worden vooral door hommels en bijen bestoven. Het bloemetje van de toorts heeft vijf meeldraden, die allemaal (of slechts drie ervan) behaard zijn.

Elk afzonderlijk bloemetje bloeit slechts één dag. Tegen de avond valt de kroon met de meeldraden aarzelend af.

X-Deraeocoris ruber

De deraeocoris ruber (juli-september) is 6,5 tot 7,5 mm lang. Het lichaam is opvallend breed, zeer variabel getekend, veelal steenkleurig, altijd met rode cuneus (deel van de voorvleugel van bepaalde wantsen).

Deze wants komt voor in ongecultiveerd grasland en langs bosranden. In Nederland en België niet zo algemeen.

In tegenstelling tot de andere wantsen van de familie Miridae (blindwantsen) is deze soort een rover, die andere insecten uitzuigt.

Blindwantsen kunnen worden onderscheiden van bijvoorbeeld de bloemenwantsen en de grondwantsen door de afwezigheid van ocelli.

Een ocellus, meervoud ocelli wordt ook wel een enkelvoudig oog, puntoog genoemd. Veel insecten hebben er drie op hun voorhoofd. Daarmee schijnen ze licht en donker te kunnen onderscheiden.

Omdat bij de Miridae de ocelli ontbreken worden ze in het Nederlands blindwantsen genoemd. Maar ze kunnen natuurlijk prima zien.

X-Gekroesde melkdistel

De gekroesde melkdistel is een algemeen voorkomende pionierssoort uit het geslacht Melkdistel. De gekroesde melkdistel lijkt sterk op de gewone melkdistel.

Melkdistels onderscheiden zich van de andere distels doordat het omwindsel niet stekelig is en ze wit melksap hebben.

De verspreid aan de stengel staande bladeren hebben wel een stekelig getande rand maar zijn minder stevig dan die van de andere distels.

De bladeren hebben een langwerpige vorm en zijn van boven sterk glanzend donkergroen en de stekels staan op driehoekige tanden aan de bladrand.

De tanden van de gekroesde melkdistel zijn langer dan breed en de stekels forser dan bij de gewone melkdistel. De bladeren zijn langs de rand enigszins gekroesd.
Je vindt gekroesde melkdistel steeds meer ook in de stedelijke omgeving op open vochtige en zeer voedselrijke grond, in akkers, moestuinen, stoepranden of aan de kust tussen hoog opschietende andere plantensoorten.


Groetjes,

Luit


« terug