Okt 2 12

En al weer hadden we geluk. Woensdag was een grijze dag met veel regen, maar op dinsdag scheen de zon en was het heel aangenaam op de tuinen. Geluk is ook een belangrijke factor bij het fotograferen. De interessante onderwerpen moeten er wel zijn en je moet ze dan ook nog zien. Je ogen goed de kost geven is een voorwaarde en een beetje geluk is mooi meegenomen. En daarover hoor je me niet klagen.

Bessenzweefvlieg

De bessenzweefvlieg is 10 à 12 mm lang en lijkt veel op een gewone wesp. De kop is roodgeel en in het midden zwart, de antennen zijn bruin en de zéér grote ogen zijn onbehaard.
Het borststuk is metalig zwart. Het achterlijf is zwart met 1 onderbroken en 3 complete gele banden.
Deze zéér vroeg verschijnende zweefvlieg komt reeds voor in april en blijft aanwezig tot oktober. Ze zijn het meest talrijk van mei tot augustus.

Er zijn geen plaatsen waar geen zweefvliegen voorkomen. Ze houden wel van zon, maar het mag ook niet te warm zijn. Bij kouder en bewolkt weer houden ze zich meestal schuil.

Een andere belangrijke voorwaarde voor hun aanwezigheid is dat er bloemen aanwezig moeten zijn waarvan de nectar en de stuifmeelkorrels gemakkelijk bereikbaar zijn,

omdat zweefvliegen een kortere snuit hebben dan bijen. Alle bloemen met een platte, ondiepe en open vorm zijn aantrekkelijk.

Menuetzweefvlieg

Ook de menuetzweefvlieg kwam al enkele keren voorbij in het fotoverslag. Maar als dit insect zich zo mooi laat fotograferen, dan heeft zij –wat mij betreft- nog een keer een plaatsje verdient.

De menuetzweefvlieg is een erg kleine soort (7 – 9 mm), die je van dichtbij moet bekijken om te zien dat het toch wel een bijzonder insect is met zo'n rode vlek op zijn dikke dijen.

Het is deze vlek die hem onderscheidt van gelijkende soorten. Het mannetje heeft op het tweede en derde achterlijfssegment ook een oranje vlek. Het vrouwtje daarentegen heeft zilvergrijze vlekken op haar achterlijf.

Deze soort is in ons land zeer algemeen en vliegt in allerlei biotopen, hoewel ze in bossen iets minder voorkomen. Het wijfje voedt zich met stuifmeel, terwijl de mannetjes meer nectar tot zich nemen.

Rups met cocons sluipwesp

Sluipwespen vormen een groot gevaar voor vlinders. Vele zijn gespecialiseerd in het vinden van een specifiek stadium (ei, rups of pop) van een vlindersoort. Bij de rups op de foto heeft een sluipwesp met haar legboor eitjes afgezet in de rups.

Tegelijk met de eitjes werd er een virus in de rups gespoten, het afweersysteem van de rups werd daardoor uitgeschakeld en de larven die uit de eitjes werden “geboren” konden ongestoord de rups van binnenuit opeten.

De larven hebben de vitale delen van de rups ongemoeid gelaten waardoor de rups gewoon bleef leven. Toen de larven (na ruim twee weken) volgroeid waren, hebben ze zich met hun tandjes een weg naar buiten gevreten.

Buiten de rups hebben ze zich ingesponnen en in dit cocon zullen ze verpoppen en daarna als nieuwe sluipwespen uitvliegen. Tenminste als ze voor die tijd niet zelf worden opgevreten.

De natuur is vaak fascinerend en wreed tegelijk. Niet minder fascinerend is het filmpje op Youtube over de ontwikkeling van de larven van een sluipwesp

{youtube}vMG-LWyNcAs{/youtube}

Het filmpje duurt bijna vijf minuten en is in het Engels. Het is niet erg wanneer je de tekst niet kunt volgen, de ongelooflijk knappe beelden zijn beslist de “moeite” van het bekijken waard.

Bruinrode heidelibel

De bruinrode heidelibel is meestal te vinden bij ondiep, stilstaand water. Ze zwerven echter over grote afstanden, waardoor ze ook vaak gezien worden in weilanden en bermen.

Er zijn zelfs waarnemingen van groepen van miljoenen exemplaren boven zee. Zoals de meeste korenbouten, jaagt deze libel vanaf uitkijkposten op kleine insecten.

De levenscyclus van de bruinrode heidelibel duurt een jaar. De eitjes overwinteren na op het water afgezet te zijn. De larven leven op de bodem onder meer van muggenlarven.

Kaneelwants

Bij mijn speurtocht door het labyrint op de Schoolwerktuin zag ik op de paaltjes van het “schapenhek” meerdere bruinige beestjes. Het waren jonge wantsen, dat was wel duidelijk.

Maar van welke wants waren dit de nakomelingen? Ik had geen idee. Maar ik zag steeds meer wantsen, in totaal waren er zeker 13. Het waren jonge wantsen in diverse stadia en ik zag ook enkele volwassen exemplaren (imago’s).

En dat waren kaneelwantsen, daarover bestaat geen twijfel. Dus deze bruinige beestjes zijn de jongen van de kaneelwants.

Jonge wantsen (nimfen) zijn als ze uit het ei komen ongevleugeld en de vleugels groeien in de loop van een aantal vervellingen tot het volwassen formaat uit: wantsen hebben een onvolledige gedaanteverwisseling.

Dit betekent dat bij de gedaanteverwisseling het stadium “pop” ontbreekt. Een nimf ziet er meestal (?) al hetzelfde uit als een imago, maar mist altijd de vleugels.

Bij sommige soorten hebben de nimfen felle kleuren als rood en geel om vijanden af te schrikken.

Onder de wantsen zijn enkele soorten die een vorm van broedzorg kennen, waarbij de ouders de eitjes of nimfen beschermen, soms zelfs elkaars nimfen wat uitzonderlijk is bij insecten.

Kaneelwants

Deze nimf is al weer een stadium verder dan het vorige exemplaar.

Kaneelwants

Toen ik deze foto maakte had ik nog geen idee wat het was. Ik dacht aan een merkwaardige oranje-rode vlieg.

Ik heb er een aantal foto’s van gemaakt en thuis achter de computer zag ik dat dit een iets oudere soortgenoot van de vorige twee is.

Het is een kaneelwants die uit de huid van (waarschijnlijk) het vijfde nimfenstadium kruipt en zich even later als imago zal presenteren.

Het duurt nog wel even voordat de wants op kleur is. Na verloop van tijd (uren, dagen?) ziet de wants er uit als op de volgende foto.

Kaneelwants

Door de opvallende, roodzwarte tekening lijkt deze soort op o.a. een vuurwants, maar hij is herkenbaar aan de sterke beharing en talrijke aderen in de membraan van de voorvleugel.

Zwart zijn de voelsprieten, kop en ogen, met uitzondering van de schedel, een dwarsband aan de voorrand van het borstschild en twee vlekken op de achterhoeken, de basis van het schildje en twee brede vlekken op het midden daarvan.

Hij wordt 9 – 12 mm lang en kan goed vliegen. De kaneelwants houdt van zanderige, open en zonnige gebieden zoals verstuivingen en heide, in Nederland vooral in de duinen langs de kust.

De wants is op lagere begroeiing te vinden als struiken, waaruit plantensappen gezogen worden. Bepaalde kruidachtige planten hebben echter de voorkeur, zoals toorts en bepaalde heesters.

Omdat deze planten vaak erg vies smaken, hebben ook de wantsen een smerige “bite”, en vijanden als vogels kijken wel uit er eentje op te eten.

Deze soort overwintert als imago, rond mei verschijnen de nimfen en in september is de volgende generatie te zien.

bijvlieg

Bijvliegen komen met grote regelmaat aan bod in mijn fotoverslagen. Dat kan ook bijna niet anders, er zijn veel bijvliegen en ze laten zich vaak vrij gemakkelijk fotograferen.
Is dit een kleine bijvlieg, een puntbijvlieg of toch nog een andere bijvlieg? Ik zou het niet weten.
Ik vind het een mooie bijvlieg met die duidelijke, witte banden op het achterlijf.

bijvlieg

Dit is duidelijk een andere bijvlieg en volgens mij zou dit een kegelbijvlieg kunnen zijn.

De kegelbijvlieg is een vrij forse, algemene bijvlieg van rond de 15 mm die bijna door heel het jaar in Nederland voorkomt. De soort is te vinden in bossen, tuinen en open velden.

De kegelbijvlieg dankt zijn naam aan het mannetje die, in de meeste gevallen, een kegelvormige achterlijf heeft. Het achterlijf is zwart gekleurd met 2 "liggende" geel-oranje kegels.

Op de foto zijn deze “kegels” verborgen onder de vleugels. Veel andere soorten bijvliegen hebben min of meer gelijke geel-oranje kegels/vlekken op het achterlijf.

mug

De tekening in de vleugels doet me denken aan de zo populaire “smile”. Maar als slakken zouden kunnen denken, dan zouden ze daar zo hun bedenkingen bij hebben (denk ik).

De larven van een aantal soorten vliegen uit deze familie (slakkendoders) parasiteren op slakken. Ze doden onder meer de in tuinen uiterst lastige wegslakken en worden daarom wel gekweekt.

De larven parasiteren echter ook op wijngaardslakken en worden daarom in kwekerijen van escargots bestreden.

strekspin

Strekspinnen hebben een langer achterlijf dan wielwebspinnen. Ook zeer typerend voor deze spinnen is dat hun poten zeer lang en fijn zijn. Ze kunnen zich zeer goed camoufleren op de stengel van een plant.

Op de buik van de strekspin zitten peervormige kliertjes op de tepels, waarmee zijde wordt gesponnen.

Hoewel de spindraad heel wat dunner is dan een menselijke haar is het ijzersterk, sterker zelfs dan staal, maar nog altijd uiterst elastisch.

Het is weleens beweerd dat spinnenzijde zo sterk en elastisch is, dat een spinnenweb – vertaald naar menselijke verhoudingen – in de vorm van een visnet een vliegtuig uit de lucht zou kunnen scheppen.

Uitvinders die bestuderen hoe de natuur oplossingen biedt hebben ontdekt dat de zijde van spinnen kan worden gebruikt ter inspiratie voor het ontwerpen van kabels voor het bouwen van bruggen of van de hanglijnen van een parachute.


Groetjes,

Luit


« terug