Sept 3 12

In dit tweede deel van het fotoverslag krijg je weer een paar bekende onderwerpen te zien. Gelukkig zit er ook nog iets nieuws tussen, maar dat is niet spectaculair.

aardhommel

Ongetwijfeld is dit een aardhommel en zeer waarschijnlijk is het een Gewone, natgeregende aardhommel.
Ook Wilgenhommels en Veld- of Kleine aardhommels zijn aardhommels, maar het zijn geen Gewone aardhommels.
Het lijkt ingewikkeld, maar het is net zoiets als “Alle koeien zijn runderen, maar niet alle runderen zijn koeien”.

Atalanta

Atalanta’s zijn intussen begonnen aan de trek naar het zuiden. Het is best mogelijk dat ook dit afgevlogen exemplaar instinctief naar het zuiden vliegt, maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat hij daar nog ooit zal aankomen.

groene stinkwants

Deze nimf van de groene stinkwants was maar een stipje op de grote zonnebloem. Waarschijnlijk beviel het hem daar goed.
Ik maakte de foto op maandag en op dinsdag zat hij nog steeds op dezelfde bloem.

volwassen wants

Deze volwassen wants (hij heeft vleugels) is niet veel groter dan de nimf van de groene stinkwants en het is voor mij een nieuwe (nog onbekende) soort.

Gewone rode bladloper

De gewone rode bladloper lijkt op een sluipwesp, maar is een zweefvlieg. Hij houdt de vleugels meestal gesloten boven het oranjerode-zwarte achterlijf.

Hij houdt van de honingdauw, die bladluizen afscheiden. Je ziet ze vaak op bladeren, waar de honingdauw opzit. Op bloemen zie je minder vaak.

grote rupsendoder

Dit zou een grote rupsendoder kunnen zijn. Een grote rupsendoder is 14 tot 24 mm lang en vliegt in de periode mei-oktober.
Het is een uitgesproken slanke en langgerekte, grote graafwesp met een smal achterlijf. Het voorste deel van het achterlijf is rood, het achterste deel zwart met duidelijke blauwe glans.

De grote rupsendoder is een algemene verschijning op zandige, schrale plekken b.v. op heiden, zandige paden en in de duinen en groeven.

Deze graafwesp draagt meestal één grote rups of in het voorjaar soms twee kleinere rupsen als proviand voor een larve naar een nest.

Een kenmerkend verschil tussen zweefvliegen en wespen is de lengte van de antennes. Wespen hebben (over het algemeen) lange antennes, zweefvliegen hebben (bijna) geen antennes.

Maar er zijn uitzonderingen op deze regel!

sluipwesp

Dit is (alweer) waarschijnlijk ook een sluipwesp. Het zou de Liotryphon caudatus kunnen zijn.
Ik fotografeerde dit insect maandag op de Schoolwerktuin.

vlieg

De volgende dag kwam ik dit exemplaar (dezelfde?) tegen op De Wiershoeck.
De plaatsen van beide waarnemingen liggen hemelsbreed ongeveer 75 meter uit elkaar.

Sluipwesp

Dit insect heeft ongeveer het zelfde formaat en ook de poten en de antennes zijn ongeveer even lang als die van de “Liotryphon caudatus”, maar het is duidelijk een ander insect.
Het is leuk om zoveel verschillende insecten waar te nemen en te fotograferen, maar het is voor een leek als ik onmogelijk om ze op naam te brengen.

wesp

Nog een “onbekend” exemplaar met lange poten en antennes.

Maandag fotografeerde ik twee redelijk grote libellen. Het zijn glazenmakers. De glazenmakers vormen een familie van echte libellen. Het zijn grote libellen van 60 tot 85 mm lang.
Het achterlijf is donker met een lichtere mozaïektekening, of licht met een donkere rugstreep.

De naam is gebaseerd op de gelijkenis met glazenmakers uit vroeger tijden. Wanneer zij ruiten moesten repareren, dan droegen zij het glas in een raamwerk van latten op de rug waardoor het wel vleugels leken.

Na enige studie kwam ik tot de conclusie dat beide libellen (ondanks duidelijke verschillen) paardenbijters zijn. De paardenbijter is de kleinste glazenmaker: 56-64 mm.

Paardenbijters zijn laat vliegende libellen: van begin juli tot in november, grootste aantallen in augustus en september. Ze zijn vooral in de middag actief, op warme avonden zelfs tot diep in de schemering.

Imago’s worden vaak in groepen aangetroffen, jagend langs bosranden op boomkruinhoogte.

Levenscyclus: Een jaar, mogelijk soms twee jaar. De (eerste) winter wordt doorgebracht als ei. Uitsluipen gebeurt gedurende een lange periode (geen duidelijke piek), van eind juni tot eind september.

Paardenbijter

Het achterlijf van de paardenbijter is donker met een mozaïektekening van licht gekleurde vlekken. Zijkant borststuk donker, met twee gele banden, die aan de bovenkant vaak blauw getint zijn. Schouderstrepen bij beide geslachten gereduceerd tot korte streepjes.

Op de rugzijde van achterlijfsegment 2 staat een grote gele spijkervormige figuur.

In het labyrint op de Schoolwerktuin fotografeerde ik dit vrouwtje. Vrouwtje: Ogen bruin met geel of groen. Achterlijfstekening met zowel gele als bruine vlekken, op de laatste paar segmenten alleen met gele vlekjes.

Eitjes worden door het vrouwtje afgezet in allerlei levende en dode plantendelen.

mannetje glazenmaker

In de kruidentuin van De Wiershoeck zat dit mannetje te genieten van de najaarszon.

Het mannetje heeft bruinblauwe ogen. Bovenzijde achterlijfsegmenten met twee vrijwel ronde blauwe vlekjes aan de achterrand. Op het midden van de segmenten staan twee kleine gele driehoekjes.

Mannetjes vertonen territoriaal gedrag langs de waterkant, maar zijn minder agressief dan andere glazenmakers.

De spijkervormige gele vlek met de brede blauwe streep eronder (direct onder de vleugelaanhechting) zijn kenmerken van de mannelijke paardenbijter.


Groetjes,


Luit


« terug